Martje Saveur-Hofstee (85) heeft haar vader nooit gekend, hij overleed in september 1943 aan de Birmaspoorweg toen ze net drie jaar oud was. Haar hele leven heeft ze zich afgevraagd: Wat voor iemand was hij? Zou ik op hem lijken? Hoe zou het zijn om aan de hand van mijn vader te lopen, een vader te hebben die een arm om me heen slaat, die trots op me is?
Het is bijna donker als ik voorzichtig in een wiebelend gemotoriseerde sloep met in het midden een dakje om je tegen de zon te beschermen. De boot is abnormaal lang en smal. Helemaal aan het eind zit een man. Verder zijn er geen passagiers. Ik herken de man meteen. ‘Papa, papa!’ roep ik en ren zwaaiend naar hem toe. De boot wankelt maar kapseist niet. Hij hoort me niet. Ik ren en roep steeds harder. Ik kom niet vooruit, hoe ik mijn best ook doe. Er komt geen geluid uit mijn keel. ‘Papa, papa…’ Dan word ik wakker. Het was een droom.
Ik sla het fotoalbum met de prachtige gebatikte kaft open met daarin de laatste foto van ons viertjes: mijn vader, moeder, zusje en ik. Het is 1941. Het baby’tje ben ik. Ik was één jaar. Aan de plakkerige haren zie je dat het warm is. Ik neem een vergrootglas en richt het halsstarrig op het beeld van mijn vader, alsof ik hem hierdoor levend uit de foto kan laten stappen. Een grote stevige man met dik, donker krullend haar. Ik zie zijn zachte blik, niet de kleur van zijn ogen. Die weet ik niet.
Ik blader verder door het album. De bladen zijn van zwart karton en de foto’s met witte kartelrandjes zijn zorgvuldig vastgeplakt, 16 in driehoekjes, zodat ze niet beschadigen. Op een foto zit mijn vader op de rand van de box met mij op zijn schoot. Hij houdt me heel voorzichtig vast, een beetje onwennig lijkt het. Zijn grote hand op dat kleine babylijfje. Die beelden geven me een warm gevoel.
Ik herinner me de geur van papaja, het vuurrood van de flamboyant, het ‘ting-tong-ting- tong’ van de satéverkoper, de palmbomen en de waringin. Maar mijn vader herinner ik me niet.
Het is oorlog. De jappen vallen Java binnen, en later ook Celebes. Chaos. Mijn moeder moet zorgen dat er schuilgreppels in de tuin komen, ik ben ziek en medicijnen zijn niet verkrijgbaar. Mijn vader is op Soemba voor zijn werk als controleur Binnenlands Bestuur en kan de overtocht niet maken omdat de lijndiensten onbetrouwbaar varen. De brieven die ik jaren later vind getuigen hiervan: ‘Mijn liefste Ida, wees innig omhelsd, kus de kinderen van mij, houd goede moed, vertrouw op rechtvaardigheid en alles zal terecht komen.’ De brief eindigt met: ‘Als wij weer herenigd zijn na deze bange en droeve dagen, dan zal ook voor ons het geluk weer komen, daarvan ben ik overtuigd.’ Het zijn woorden van mijn vader, vol liefde, kracht en steun, uit het hart van een man die ik nooit gekend heb. Wij hebben geen afscheid kunnen nemen en het geluk is niet gekomen.
