Voor de Nederlands-Indische gemeenschap

GERUISLOZE INBURGERING? HELEMAAL NIET!

 

Het Nederlands inburgeringsbeleid van Indische repatrianten was gebaseerd op raciale vooroordelen met het doel de Indische identiteit te vervangen door een volledig Nederlandse, stelt historicus Humphrey de la Croix. Oftewel: Indische repatrianten werden pas geaccepteerd als Nederlanders wanneer ze hun ‘bruine repatrianten werden pas geaccepteerd als Nederlanders wanneer ze hun ‘bruine veren hadden afgeschud’ en compleet assimileerden. veren hadden afgeschud’ en compleet assimileerden.

 

In 1950 begon president Soekarno met het grondig zuiveren van de kersverse Republiek Indonesië van de sporen van het Nederlands kolonialisme. Dat raakte in het bijzonder de zogeheten ‘Indo-Europeanen’, de groep voortgekomen uit gemengde relaties tussen Europeanen en inheemse vrouwen: die waren vanaf dat moment niet langer welkom in het land dat ze kenden als hun moederland omdat Soekarno hen zag als collaborateurs van de kolonisator. Ze hadden aan de kant van de Nederlanders gestaan en zich met hen geïdentifi ceerd, en hij wilde Indonesië zo snel mogelijk zuiveren van alles wat aan de koloniale tijd deed denken.

Vanaf 1950 verlieten steeds meer witte Nederlanders en Indo-Europeanen Indonesië.De Nederlandse regering was bang voor een massaal vertrek richting Nederland. In 1952 installeerde De Nederlandse overheid een commissie onder voorzitterschap van de hoge ambtenaar P. Werner. Opdracht was te onderzoeken wat het gevolg was van massale uittocht uit Indonesië. De conclusie in het in 1954 uitgebrachte rapport luidde om emigratie Van Indische Nederlanders af te raden of te ontmoedigen. Reden was dat de kans op inburgering niet groot geacht werd. Indo-Europeanen zouden mentaal en fysiek niet geschikt zijn om in Nederland te aarden, waardoor ze zouden afglijden naar de rand van de samenleving. Door gebrek aan zelfredzaamheid van de Indo- Europeanen zou de Nederlandse overheid hen voor lange duur moeten onderhouden – een zware financiële last voor Nederland.

Mede door druk van de Nederlandse overheid, kozen veel Indo-Europeanen er daarom voor in Indonesië te blijven wonen en Indonesisch staatsburger of warga negara te worden. In de soevereiniteitsoverdracht waren bepalingen over hun veiligheid, behoud van banen en bestaanszekerheid, Nederlandstalig onderwijs geformuleerd. Die waren echter algemeen en niet verder uitgewerkt voor de praktijk, en gebaseerd op het vertrouwen dat Indonesië zich zou houden aan wat was overeengekomen. Vanaf 1950 begon Soekarno hierin echter zijn eigen koers te varen. Het zou in 1957 leiden tot het minimaliseren van alles wat Nederlands was. De bepalingen vastgelegd bij de soevereiniteitsoverdracht hielden in de praktijk geen garanties in.

De anti-Nederlandse maatregelen van Soekarno luidden het begin van de massale uittocht van ruim 250.000 Indische Nederlanders en hun repatriëring naar Nederland tussen 1950 en 1965, op weg naar een (onbekend) vaderland. Het overgrote deel van deze repatrianten bestond uit Indo-Europeanen. Wat de Nederlandse overheid met man en macht had proberen te voorkomen, was toch werkelijkheid geworden.