Voor de Nederlands-Indische gemeenschap

ELLEN LACHT: Theater in de geest van mijn immer vrolijke moeder

Mijn moeder Ellen was vooral een goedlachse, De fijne jeugd die ze ons gaf, heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat we haar zelden hebben gevraagd naar de oorlogsjaren en de zware jaren die daarna kwamen. Maar toen ze Alzheimer kreeg, drong het verleden zich steeds meer op. Uiteindelijk begon ze vaker Maleis te praten, wij wisten niet eens dat ze het zó goed kon! En toen was het te laat om door te vragen.
In die tijd, mijn moeder overleed eind 2012, ontkiemde al een project in mijn hoofd. Maar pas in de coronajaren, waarin al mijn optredens stilvielen, besloot ik een paar oude dozen vol brieven uit het familiearchief te openen. Ik las over haar vrolijke jeugd in Nederlands-Indië, over de vreselijke oorlogsjaren en over de ellende die daarna kwam, in de bersiap. En ik vroeg me af hoe het toch mogelijk was dat ze altijd zo positief en opgewekt was gebleven, na alles wat ze had meegemaakt.
Toen Ellen 11 jaar was, viel Japan Nederlands-Indië binnen. Ze zou drie en een half jaar doorbrengen in vier verschillende interneringskampen. De lange brief die Ellens moeder tijdens die kampjaren aan haar man schreef, maar nooit kon versturen, is de kostbaarste van allemaal. De schrijfsels van mijn oma gunnen ons een blik op het kampleven van binnenuit. Die brief is op zich al een boek waard, maar de belangrijkste 44 winst van mijn zoektocht was dat ik zicht kreeg in de ontwikkeling die mijn moeder had doorgemaakt. Nadat ze was opgegroeid in een strikte apartheidssamenleving, met inheemse bedienden, hoorde ze in de oorlog en de bersiap ‘dat Azië voor de Aziaten was’. Ze begreep dat de gewelddadige pemuda’s bij wijze van spreken dezelfde jongos waren die een paar jaar eerder nog bij haar in de tuin hadden gewerkt. Het leidde ertoe dat ze ons later altijd voorhield ‘dat je nooit meer bent dan een ander.’ Zelf leefde ze ook naar die regel. Nadat ze met mijn vader verhuisde naar Curaçao wilde ze per se geen huishoudster. Die situatie zou haar te veel doen denken aan haar jeugd. Later in Nederland zette ze zich in voor het vluchtelingenwerk. Ik begreep nu pas dat het allemaal met haar achtergrond te maken had.
Totokgezin
Het was geen vooropgezet plan, maar voor mij als schrijver/muzikant gaf mijn onderzoek zoveel inspiratie dat het boek Ellen lacht – Het masker van het kampkind en de theatervoorstelling Ellen Lacht logische gevolgen waren. Door het hele proces werd ik me ook meer bewust van mijn Indische achtergrond. Ik kom uit een typisch totokgezin, werd geboren met blauwe ogen en blonde krullen, maar… ik eet nog altijd met lepel en vork. De duik in het verleden van mijn moeder en mijn twee reizen naar Indonesië verstevigden mijn band met de Oost. Bovendien, het gezellige gezin waarin mijn moeder opgroeide – mijn oma en opa schrijven in vijftig bewaarde brieven over het wel en wee in hun gezin in de jaren dertig – deed me regelmatig denken aan het vrolijke gezin waarin ikzelf opgroeide. Alsof mijn moeder het geluksgevoel uit haar vroege jeugd eigenhandig weer tot leven wekte op Curaçao. Ze maakte af wat de Japanners kapotgemaakt hadden. Samen met mijn jongere broer Coen en een derde muzikant breng ik Ellen lacht ook op de planken.
Een muziektheatervoorstelling waarin we het leven van Ellen vertellen en bezingen. Ondanks zware thema’s als de oorlog is het een luchtig programma geworden, in de geest van mijn immer vrolijke moeder. *