Achttien jaar geleden bedacht kunstenares Karina Schaapman (1960) het Muizenhuis, over twee muizen, Sam en Julia. Julia deelt een klein kamertje met haar moeder, zonder vader, broertjes of zusjes. Julia is eigenlijk Karina. Ook zij groeide op met alleen haar Indische moeder, maar háár leven was niet zo idyllisch als dat van Julia.
Het interview vindt plaats in het atelier van Karina in Amsterdam, dat vol staat met decorstukken uit de Sam en Juliaboeken. Het Muizenhuis is een veilige haven, een inclusieve wereld, een verhaal van vriendschap en gemeenschap. Een wereld die Karina als kind niet heeft gekend. Karina’s moeder was 20 toen ze in 1947 trouwde met een Nederlandse man die militair was ten tijde van de politionele acties in Indonesië.
Vele jaren later hoorde ze van haar tante, die naar Amerika was geëmigreerd en die ze voor het eerst opzocht, dat hij daar flink heeft huisgehouden. Karina: ‘‘Het waren allemaal jonge jongens die naar Indië gingen. Vaak zeer moeilijk opvoedbare jongens. Ook mijn vader was zo’n jongen. Hij 10 was al agressief toen hij er naartoe ging en kwam nog agressiever terug. Mijn tante vertelde dat mijn moeder hem zielig vond en daarom besloot met hem te trouwen. Jammer dat ik haar nooit heb kunnen vragen wat haar bezielde. Mijn vader werd naar Nederland teruggestuurd, mijn moeder bleef achter, geen idee waarom ze niet gelijk met hem meeging. Ze zagen elkaar pas in 1956 terug in Nederland. Mijn moeder zat met haar moeder in een pension waar ze één keer in de week door mijn vader werd opgehaald. Toen mijn vader een baan in Leiden kreeg, huurde hij een portiekflat en trok mijn moeder bij hem in.’’
Mishandeld
‘‘Mijn vader was zwaar getraumatiseerd teruggekomen en toen hij herenigd werd met zijn Indische vrouw, associeerde hij haar met een land waar hij verschrikkelijke dingen had meegemaakt. Mijn moeder werd mishandeld en vernederd door hem. Ondanks dat kreeg ze met hem in drie jaar tijd drie kinderen. Maar de komst van de derde was hem te veel. Op de dag dat ik geboren werd, verliet mijn vader mijn moeder, hij had inmiddels een andere relatie. Hij nam mijn zus en broertje mee. En hij heeft al mijn moeders foto’s vernietigd. Zo wreed. Pas toen ik decennia later mijn tante in Amerika ontmoette, kreeg ik voor het eerst een foto van mezelf als baby en van mijn opa en oma te zien.’’
In de jaren zestig duurde een echtscheidingsprocedure vier jaar. Uiteindelijk werden de twee oudste kinderen aan Karina’s vader toegewezen. Hij was hertrouwd en volgens de rechter was het voor hun beter om bij het nieuwe gezin op te groeien, Karina bleef bij haar moeder. ‘’Als kind zag ik het enorme verdriet bij haar. Om haar twee kinderen die ze kwijt was en niet meer mocht zien. Om haar twee zussen die naar Amerika waren geëmigreerd. Om haar vader en moeder en haar broer die ze had verloren. En verdriet om het land dat ze had moeten verlaten. Ze leed onder de vijandigheid van haar nieuwe omgeving, die een alleenstaande vrouw met kind niet accepteerde en ons uitschold: pinda, pinda, poepchinees rot op naar je eigen land.’’ ‘Ik leerde al heel jong van niets iets te maken’
Karina groeide op in een situatie die anders was dan bij anderen. Haar moeder kreeg geld van de sociale dienst maar werd daarop gekort omdat haar ex-man alimentatie zou betalen. De sociale dienst wist niet dat hij dat vertikte. Karina: ‘‘Aan het einde van de maand was het geld altijd op en hadden we niks te eten. Wat ook niet hielp, was dat mijn moeder voornamelijk eten bij de enige Chinese toko in Leiden kocht, die in die tijd peperduur was. Ik wist dat ik een broertje en zusje had, maar ik wist niet hoe ze eruit zagen, ik had geen oma’s en opa’s. Mijn opa was achtergebleven in Indonesië omdat hij koos voor de Indonesiërs. Mijn oma koos voor haar veiligheid door naar Nederland te komen, maar overleed vrij snel na haar aankomst.’’