‘Jij Indisch? Zo zie je er helemaal niet uit.’ Deze opmerking krijgen Claudia Carli, Tess Schill en Fleur Kalbfleisch geregeld te horen. Ook al is het aan de buitenkant niet direct te zien, alle drie voelen zich juist heel Indisch.
Tess Schill (26): ‘Wat betekent het dat mijn voorouders Indo waren? En wat zegt dat over mij?’.
Je ziet er helemaal niet Indisch uit. Die opmerking krijg ik vaak te horen wanneer ik vertel dat mijn oma geboren is in Bandung, mijn opa in Depok. Nadat ik de documentaire Anak Indië van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich had gezien vroeg ik me af: wat betekent het eigenlijk, dat mijn voorouders Indo waren? En wat zegt dat over mij? Ik ben opgegroeid met saté, sambal goreng telor, pandan cake en de poco-poco op familiefeestjes. Maar pas sinds een paar jaar stel ik mezelf vragen als: wat weet ik eigenlijk van het leven van mijn familie in Nederlands-Indië?
Voor mijn masterscriptie interviewde ik Indische Nederlanders van 70 tot 92 jaar over de vraag of zij zich gehoord voelen in Nederland. Dat leverde onverwachte antwoorden op, tranen, maar ook het bekende ‘Indisch zwijgen’. Toen dacht ik: wow, dit is eigenlijk nog helemaal niet zo lang geleden, waarom weet ik hier zo weinig over? Vanaf dat moment ben ik meer vragen gaan stellen aan mijn oma. Ik wilde weten wat het betekent om je (on) gehoord te voelen op collectief niveau, en focuste op de Indische-Nederlander wonend in Nederland. Ik sprak mensen over migratie, verlies, aanpassing en identiteit. Wat me het meest raakte? Hoe weinig er over het verleden en emoties gepraat wordt.
Ook in mijn familie is dat ‘Indisch zwijgen’ voelbaar. De verhalen zijn vaak stil gebleven. De film Anak Indië opende opnieuw een luikje. Vorig jaar reisde ik terug naar het land van mijn grootouders. Ik liep door de sawa’s, vond het huis waar mijn oma is geboren en de kerk waar mijn overgrootouders zijn getrouwd. Voor mij is een Indische achtergrond vooral een vertrouwd gevoel. Het bestaat uit de herinneringen aan de Indo-cultuur waarmee ik ben opgegroeid: de feestjes met muziekbands, de poco-poco, pandancake en cendol. Het zit in mijn opa die bij elk verzoek ‘Adoeh seg’ zei, en in de lange gesprekken met mijn oma, waarin ze me steeds opnieuw de foto’s van haar familie in Indië laat zien. Voor mij gaat het vooral om het fijne gevoel van samenzijn en lekker eten. Indisch zijn is voor mij een mix van herinneringen, warmte en verbondenheid.
Verhalen zoals die van mijn familie zijn niet uniek, in Nederland dragen veel mensen roots uit andere culturen met zich mee. In een tijd waarin mensen op zoek zijn naar verbinding, representatie en erkenning, zijn juist deze verhalen onmisbaar. Door te blijven vertellen en luisteren, creëren we ruimte voor onszelf, voor elkaar en voor begrip. Ik zie er misschien niet Indisch uit en ik weet nog lang niet alles over mijn eigen geschiedenis, maar ik ben begonnen met luisteren en vragen te stellen.’