Voor de Nederlands-Indische gemeenschap

Over de kracht van fijngevoeligheid en de prijs van onzichtbaarheid

 

Roos Jeulink is als psychotherapeut verbonden aan ARQ Centrum ’45 en werkt dagelijks met de problematiek en trauma’s van Indische naoorlogse generaties. Ze laat haar gedachten gaan over Indisch onzichtbaar zijn en het ‘tussen de regels door kunnen lezen’ om mensen en situaties feilloos in te schatten. ‘Indische fijngevoeligheid is een subtiele, voortdurende afstemming op de omgeving, het opvangen van signalen die anderen niet eens opmerken- het is lezen om te overleven.’

 

Op een dag had ik, uit gemakzucht of haast, geen mascara op tijdens een groepspsychotherapiesessie. Halverwege keek een van de cliënten mij aan en vroeg: ‘Gaat het wel goed met je?’. Zij zag de afwezigheid van dat kleine beetje make-up niet als bijzaak, maar als een signaal. Haar kompas stond volledig afgesteld op mijn toestand en elke verandering daarin nam ze waar en bracht een reactie in haar teweeg. Het is een moment dat ik niet vergeet, omdat het zo helder laat zien wat ik als psychotherapeut bij ARQ Centrum ’45 regelmatig tegenkom in gesprekken met de Indische naoorlogse generatie: een buitengewone fijngevoeligheid voor de ander. Het haarscherp aanvoelen van iemands stemming. Het feilloos lezen van wat niet wordt gezegd. En daarmee ook, onlosmakelijk verbonden, het gevoel dat je op de een of andere manier verantwoordelijk bent voor wat er in die ander leeft. Het laat zich niet altijd makkelijk omschrijven, deze kwaliteit. Het is meer dan empathie. Het is een subtiele, voortdurende afstemming op de omgeving – het opvangen van signalen die anderen vaak niet eens opmerken. Een uitdrukking die ik geregeld hoor in gesprekken met mensen met een naoorlogse Indische achtergrond is dat een goede luisteraar aan een half woord genoeg heeft. Maar waar komt die gave vandaan? En wat kost het, als ze nooit uitstaat?
Wat er is doorgegeven
Het antwoord bestaat uit meerdere lagen, en begint ver voor de geboorte van degenen die vandaag in mijn spreekkamer zitten. Mensen met wortels in voormalig Nederlands-Indië groeiden op met ouders en grootouders die uitzonderlijke omstandigheden hebben overleefd: koloniale verhoudingen, de Japanse bezetting, de kampen, het geweld van de Bersiap en de gedwongen migratie naar een koud en vaak onwelkom Nederland. Dat zijn geen abstracte historische feiten. Het zijn ervaringen die het lichaam en het zenuwstelsel hebben getekend.
Om dit te doorstaan had de eerste generatie een enorm aanpassingsvermogen nodig. Doorgaan. Niet zeuren. De schouders eronder en opnieuw beginnen, terwijl de pijn ergens ver weg werd opgeslagen. Dat was geen keuze maar een noodzaak, want stilstaan bij wat je had meegemaakt, dat was te pijnlijk en bovendien moest er brood op de plank komen. Er moest een nieuw leven worden opgebouwd, in een land waar mensen zich nauwelijks bewust waren van waar jij vandaan kwam. Veel ouders hadden, vanuit die overlevingsstand, moeite om emotioneel beschikbaar voor hun kinderen te zijn. Niet omdat ze niet van hun kinderen hielden, maar omdat een deel van henzelf was afgesloten. Soms waren ze onvoorspelbaar in hun stemmingen. Soms hing er thuis een spanning die niemand benoemde maar iedereen voelde. En het kind leerde, onbewust maar zorgvuldig, hoe het die spanning moest lezen.