Nanja Pol (59) was jarenlang chefkok in haar eigen restaurant. Nu is ze culinair adviseur, freelance journalist en kookboekenschrijfster. Opgegroeid met een Indische moeder en een West-Friese vader, leefde ze altijd tussen twee werelden. ‘‘Mijn vader gaf me de liefde voor taal en verhalen, mijn moeder leerde me koken.’’
Heb je al gegeten?” Die vraag klinkt simpel, in mijn familie was het veel meer dan een check op je maag. Het was zorg, aandacht, verbondenheid. Een manier om te zeggen: ik zie je, ik geef om je. Voor mij is dat de kern van alles wat ik doe: koken, eten, schrijven. Eten is taal, emotie, troost. “Heb je al gegeten?” Voor mij is dat de kortste weg naar iemands hart. In mijn keuken vertaal ik herinneringen, emoties en familieverhalen naar gerechten.
Koken leerde ik van mijn familie. Ik keek over mijn moeders smalle, maar oersterke schouders mee. Schouders waarop bagage leunde uit haar jeugd in Indonesië. Het is een tas vol met verborgen culinaire schatten. ‘Ik doe maar wat, hoor’, zei ze als ze aan het fornuis de meest verrukkelijke gerechten bereidde. Maar ik wist wel beter, want hier gaat uiterste precisie aan vooraf. Een balans in smaken, hoeveelheden, ingrediënten, met als belangrijkste toevoegingen: respect en liefde voor het eten. Ze deed wat ze bij haar moeder zag. Die kookte in haar warung, haar eethuisje in Jakarta, met dezelfde precisie en finesse. Fascinerend, tegelijkertijd de gewoonste zaak van de wereld. Koken doe je op gevoel. Zonder recept maar vanuit authenticiteit omdat je het overgeleverd krijgt van moeder op dochter en weer verder.
Taal zonder woorden
Toen mijn oma Soeminah met haar twee dochters haar geboorteland voorgoed verliet, sprak ze nauwelijks Nederlands. Toch nodigde ze iedereen uit voor een hapje. Soms zeg ik dat ze Etenlands sprak: een taal van warmte die geen woorden nodig had. De postbode kon zomaar aanschuiven voor een bord nasi campur, bereid met aandacht. Mijn moeder miste aanvankelijk de Indonesische smaken. Samen met haar zus liep ze naar de viswinkel om een makreel te halen, smeerde die in met sambal en at hem op aan de dijk bij het IJsselmeer. Even voelde dat alsof ze weer in hun moederland waren. Die kleine rituelen maakten het onbekende Nederland draaglijk voor hen. Ik leerde hiervan dat je met weinig iets bijzonders kunt maken.
Opgegroeid met een Indische moeder en een West-Friese vader, leefde ik altijd tussen twee werelden. Mijn vader gaf me de liefde voor taal en verhalen, mijn moeder leerde me koken. Toch voelde ik me vaak ontheemd: nergens helemaal thuis, altijd op zoek naar wie ik was en waar ik hoorde. Die zoektocht vind ik vaak terug in de keuken, waar ik door koken en schrijven grip probeer te krijgen op iets dat ik nog niet volledig kan begrijpen. Koken is voor mij meditatie. Met traditionele Indonesische muziek op de achtergrond voel ik alles samenkomen: geur, kleur, beweging. Het is concentratie én ontspanning tegelijk.Lees verder in ons culinaire nummer, klik hier om dit nummer te bestellen