Voor de Nederlands-Indische gemeenschap

Indisch romantiseren

Indisch zwijgen is voor Moo Miero een onbekend begrip. Haar opa doet niet aan zwijgen, wel aan Indisch romantiseren. Gaandeweg kwam ze erachter dat de verhalen die ze al zo vaak had gehoord, diepere lagen bleken te bevatten.

Mijn opa’s leven begon, volgens eigen zeggen, op vreemde wijze. Op een dag werd hij zomaar wakker in een huis dat hij niet kende, zonder vader en moeder. Het Vincentius-weeshuis in Batavia. Op basis van verslagen een instituut van ‘orde en tucht’, op basis van ervaringen van andere ‘wezen’ een plek waar ze liever nooit meer aan terugdenken.
Mijn opa was geen wees. Zijn vader was een KNIL-militair die in een Jappenkamp terechtkwam, zijn moeder een Indische vrouw wier achternaam wij dragen. Hoe mijn opa ooit in het weeshuis terechtkwam, is ons niet duidelijk geworden. Maar zo plotseling als dat hij daar terecht was gekomen, zo plotseling kwam ook de dag dat hij weer weg mocht. Tijdens de mis werd omgeroepen dat zijn moeder getrouwd was met een andere man. Dat was het dan. De wereld had een besluit genomen: hij was vrij.
Zonder schoenen is hij naar huis gelopen. Over dat nieuwe thuis hebben we nooit veel gehoord. Wel over wat daarna kwam: schoenen. Veel schoenen. Voor elke outfit een paar. En elke maand een nieuwe outfit, zorgvuldig op maat gemaakt voor de dansfeestjes waar Chinezen, Molukkers, Indo’s en Indonesiërs samenkwamen. Als mijn opa over die avonden vertelt, lijkt de dansvloer groter dan het gebouw zelf. Er was geen onderscheid op basis van afkomst, religie of politiek. Alleen tussen mensen die konden dansen en mensen die dat niet konden.