Als sociaal rapporteur van Stichting Pelita legde Peter Bouman (1953) de vaak gruwelijke verhalen van Indische oorlogsgetroffenen vast. Veel van zijn cliënten voelden zich daardoor vaak voor het eerst daadwerkelijk gehoord, gezien én serieus genomen. Zijn sociale bewogenheid en activisme zet Peter tot op de dag van vandaag in voor de Indische gemeenschap.
Sommigen van ons kennen Peter Bouman van Stichting Pelita, waar hij jarenlang als rapporteur werkte en Masoek Sadja’s en bijeenkomsten door het hele land organiseerde. Anderen kennen hem vooral van de tweewekelijkse nieuwsbrief van het Indisch Netwerk – een netwerk van Indische makers, initiatiefnemers en creatieven – die alle leden bijpraat over nieuws en perkara’s. Of misschien heb je het geluk gehad om mee te varen met zijn iconische ‘Gordel van Smaragd’ rondvaart door de Amsterdamse grachten langs panden en plekken met een Indisch verhaal, die hij van 2012 tot 2024 samen met Frans Leidelmeijer verzorgde. Hoewel Peter allerminst een onbekende is binnen de Indische gemeenschap, opereert hij liever low profile achter de schermen. Hoog tijd dus om hem vol in de spotlights te zetten.
Jij bent Indo, Tukker én Amsterdammer. Hoe zit dat met jouw roots?
‘Op de katholieke kleuterschool in Losser, Twente, in de jaren ’50 voelde ik me niet per se Indisch – wel anders. Als een van de weinigen huilde ik niet op mijn eerste schooldag. Ik voelde me meteen flinker en ‘verheven’ boven mijn klasgenootjes. Op mijn tweede schooldag lag er op mijn schoolkrukje een gevouwen papieren wigwammetje met palmboom. Dat had een van de nonnen speciaal voor mij gemaakt, als welkom. Ik vond dit leuk, want als ik cowboytje speelde met mijn vriendjes was ik altijd het liefst de Indiaan. Ik was het enige Indische jongetje in de klas en kreeg daardoor een speciale behandeling. In de pauze mocht ik Zuster Hedwiga helpen met het luiden van de schoolbel of met koffiezetten.’
‘Ik kwam uit een militair gezin. In onze straat woonden veel Indische gezinnen waarvan de vader bij de luchtmacht zat, net als mijn vader. Daarin verschilden we van de textielarbeiders in ons dorp; de meesten spraken plat Twents, hadden weinig tafelmanieren, poetsten hun tanden niet, stonken en waren ronduit lomp. Daar had ik weinig mee.’
‘Zowel van vaders- als moederskant kom ik uit een lange lijn van Indisch bloed. In Indië telden status en afkomst, en mijn familie had het redelijk goed. Ze waren hoger opgeleid en hadden goede banen. In de jaren ’30 reden twee ooms van mijn vader als een van de eersten in Indië in auto’s rond. Thuis groeide ik op met Indische verhalen. Over mijn overgrootvader van vaderskant die stationschef was en overleed door goena-goena nadat hij een Ambonese dief had opgepakt die hem en zijn vijf ondergeschikten vervloekte. In zijn kippenhok vond hij een verrot eendenei, misschien had hij ook fijngesneden tijgersnorharen door zijn eten gekregen. Alle zes overleden binnen een half jaar.
Mijn grootvader van moederskant was een nazaat van Carel Winter, de eerste Javaans-Nederlandse translateur aan het hof van Solo. Op zijn dertiende ging hij anderhalf jaar bij een doekoen in de leer. Als bewijs van zijn kunnen moest hij in één klap een kalf doodslaan. Hij schoot als de beste en trof zijn prooien met één schot tussen de ogen – misschien ook wel tegenstanders toen hij later scherpschutter was bij het KNIL. Als kind vond ik dat machtig mooie verhalen.’