Voor de Nederlands-Indische gemeenschap

Anders-zijn

Toen mijn moeder stil in de kamer. Haar lichaam was gewassen, haar haar gekamd, haar gezicht vredig zoals ik het in jaren niet had gezien. Wat mij vooral raakte was niet de stilte. Het was haar gezicht. De lijn van haar kaak. De scherpe jukbeenderen. De licht gebogen neus. Onmiskenbaar Javaans. Mijn moeder had haar hele leven geprobeerd dat niet te zijn. Ze poederde haar gezicht wit, droeg Europese jurken,sprak ABN op een toon alsof ze voor de radio werkte. Daar op dat witte laken, lag haar waarheid. Zonder poeder, zonder stem, zonder verzet. En in die waarheid zag ik plots haar moeder, mijn oma Annie. Zelfde botstructuur. Zelfde blik. ‘Je lijkt op haar,’ fluisterde ik. Ze kon het niet meer ontkennen.

Donker haar, bruine huid
Vanaf het moment dat ik mezelf als kind in de spiegel zag – een jongetje met donker haar, een bruine huid en ogen die schuin afliepen – wist ik dat ik er anders uitzag. Ik wist alleen nog niet wat dat ‘anders’ betekende. Niet tot we in Nederland aankwamen; ik spreek over de jaren vijftig.
Het regende op de dag van aankomst. In Middelburg sliepen we in Hotel Pax, waar de kamers roken naar stof en kou. In plaats van een mandi-kamer met stenen vloer en bak water, stond er een porseleinen schaal met een lampetkan. Ernaast lag een ruwe handdoek. Mijn moeder bezag het met een blik die ik later pas begreep. Ze tilde de kan op, keek naar het koude water en zei zacht: ‘Dit is het dan.’
In Zeeland viel ik op. Niet door mijn stem of mijn gedrag maar door mijn gezicht. ‘Poepchinees,’ zei een jongen op school de eerste week. ‘Pinda,’ zei een ander. Ze lachten. Ik niet.
Thuis zei ik niets. Ik wilde haar niet kwetsen, mijn moeder, die zo hard haar best deed om Nederlands te zijn. Die haar haren opstak in een nette knot, die Nederlands kookte, Nederlands sprak, en Nederlands dacht. En die het Maleis – als een echo van de kolonie –had verboden in huis. Want dat was de taal van de bedienden. Van de kampong. Van de inlander.


Leren zwijgen
Op school deed ik wat van me verwacht werd. Leerde de regels van het spellingboek. Leerde zingen: ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’. Leerde zwijgen. Leerde hoe je een nette jongen werd. Maar ergens diep vanbinnen groeide iets anders: een gevoel van afstand, van scheiding. Tussen wie ik was, en wie ik moest worden. Ik herinner me de zondagse mis, de geur van wierook, de koorjongens, allemaal even bleek. Ik stond ertussen, met mijn Vlaamse tongval en bruine handen, en voelde me doorzichtig. Toch werd ik de beste van de klas. Niet uit ambitie. Uit noodzaak. Op mijn twaalfde keek ik in de spiegel en vroeg mijn moeder: ‘Mam, waarom ben ik donkerder dan de anderen?’ Ze antwoordde niet direct. Poederde haar gezicht voor de spiegel. ‘Je hebt een zonnehuidje,’ zei ze uiteindelijk. Alsof het een zegen was.