Voor de Nederlands-Indische gemeenschap

INDO KESASAR, de verdwaalde Indo

Michele Verburgt-Duggan werd in Australië Australische moeder. Haar vader Hendrikus Willem Verburgt werd tijdens de oorlog gevangengezet in het krijgsgevangenkamp Hakodate vlak bij de stad Ohashi in Noord-Japan. Daar werkte hij in een ijzerertsmijn. Michele: ‘Toen het einde van de oorlog in augustus 1945 werd aangekondigd, was mijn vader nog in Ohashi. Uiteindelijk werd hij op een hospitaalschip gezet, eerst naar de Filippijnen en later naar Sydney. Daar ontmoette hij mijn moeder, die bij de Australische luchtmacht zat. Ze trouwden in 1946 en werden naar Batavia uitgestuurd, en later naar Nederland voor zijn verdere diensttijd. Mijn vader had er naar uitgekeken om zich in Nederland te vestigen. Hij voelde zich Nederlands, Nederlands was zijn moedertaal en hij was trouw aan koningin Juliana. Mijn zus werd in 1947 in Den Haag geboren. Maar mijn vader kwam erachter dat Nederland niet zat te wachten op mensen met een donkere huidskleur. Die afwijzing kwam hard binnen. Mijn ouders voelden zich niet welkom in het ‘witte’ Nederland, maar konden ook niet terug naar Java vanwege de gewelddadige Bersiap-periode.’


In 1949 besloten Micheles ouders naar Australië te emigreren. Om daar te ontdekken dat de White Australia Policy volop van kracht was (een reeks discriminerende immigratiewetten die vanaf de oprichting van de federatie in 1901 tot de jaren 60 van de 20e eeuw van kracht was, red).

Michele: ‘Ook in Australië was mijn Indische vader niet welkom. Maar hij hield voet bij stuk en kreeg uiteindelijk toestemming van de regering om zich hier te settelen. In Australië kenden we slechts één ander Indisch gezin, dat ver weg woonde. We bezochten hen wanneer we konden. Nog steeds zijn we goed bevriend. De vader van dat gezin kon fantastisch koken en hun huis rook altijd naar heerlijk Indisch eten. Soms kwamen er Indische vrienden of familieleden op bezoek die naar Nederland waren gemigreerd. Verder hadden we geen contact met andere Indo’s.’