‘Telkens hoorde ik: herkenning, herkenning, herkenning’
Vorige maand verscheen het tweede boek van Maddy Stolk, Waar wij altijd geweest zijn. Een gesprek met de schrijfster over het onbewust doorgeven van angsten. “Ik besefte dat ik de eerste vrouw van mijn bloedlijn was die het leven kon leiden zoals ze wilde, en dat ik dit te danken had aan de vrouwen die mij waren voorgegaan.’’
In de familiekroniek Waar we drie vrouwen – oma, moeder en dochter – met een Indische achtergrond. Antoinette vecht in voormalig Nederlands-Indië voor haar bestaan. Haar dochter Jetty brengt haar jeugd door in een Japans interneringskamp en is genoodzaakt naar Nederland te migreren, waar zij maar moeizaam went. In dat nieuwe land wordt Jetty’s dochter Tara geboren. Zij is vastbesloten de keten van trauma’s die van moeder op dochter worden doorgegeven, te verbreken.
Het is het tweede boek van Maddy Stolk (1970) en speelt zich af vóór haar succesvolle roman uit 2023, Soedah, laat maar, waarvan meer dan tienduizend exemplaren zijn verkocht. In haar debuutroman haalt Tara na het overlijden van haar moeder het huis van haar ouders leeg. Met een mengeling van weerzin en opluchting baant ze zich een weg door eindeloze rommel die door haar in het jappenkamp getraumatiseerde moeder haar hele leven lang heeft verzameld. Het boek is gebaseerd op Maddy’s eigen familiegeschiedenis.
Herkenning
Na het verschijnen van Soedah, laat maar ging Maddy door heel het land om lezingen te geven. Maddy: ‘‘Er kwamen bezoekers die het boek wilden laten signeren en telkens hoorde ik: ‘herkenning, herkenning, herkenning. Alsof het over míj́n moeder, oom of opa ging’.” Deze mensen vertelden daarbij spontaan welke verhalen zij binnen hun eigen familie hadden gehoord. Informatie die je nergens in historische boeken vindt en die ik in mijn tweede boek heb gebruikt. Zoals het verhaal van de apen. Het kamp Tjideng werd geleid door Kenichi Sonei, van wie werd gezegd dat hij maanziek was omdat gewelddadigheden vaak plaatsvonden bij volle maan. Kenichi Sonei liet vrouwen tijdens volle maan op appel staan. Als ze eenmaal in de houding stonden, liet hij apen los die in een kooi gevangen werden gehouden. Die apen waren verwilderd en uitgehongerd, en ze beten lukraak de vrouwen die in rijtjes stonden opgesteld. Als je bewoog of een kik gaf, kreeg je een pak slaag. De meeste vrouwen legden na zo’n aanval snel het loodje, die wonden raakten binnen de kortste keren geïnfecteerd. Slechts een enkeling overleefde het. Ik had dit verhaal nog nooit gehoord. Zo waren er meer verhalen, die overigens niet allemaal in het boek zijn gekomen. Elke keer als ik iets hoorde waarvan ik dacht: oh dit kan interessant zijn voor mijn volgende boek, dan noteerde ik dat snel.’’
Enge dromen
In Waar wij altijd geweest zijn beschrijft Maddy hoe ze als kind van 7 elke avond last had van hallucinerende dromen waarin vrouwen – uit haar lijn van voormoeders – haar kwamen bezoeken. Doodeng vond ze het. Uiteindelijk vertelde ze haar Indische oma wat haar elke avond overkwam en dat ze dit niet wilde, omdat ze er angstig van werd. Maddy: ‘‘Ik had overdag al genoeg problemen met het gezin waar ik in opgroeide: twee getraumatiseerde ouders en een zusje met een zeldzaam syndroom. Ik wilde rust, ik wilde gewoon slapen en was doodsbang voor die vrouwen. Mijn oma, die een lijntje had met de spirituele wereld, stuurde ze weg.